Anthonisse Finance

Bellen Routebeschrijving Website Contact opnemen met het bedrijf

Anthonisse Finance De administrateur voor Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZP) en Midden- en Kleinbedrijf

Vanaf 1 januari 2026 dienen cryptoplatformen gegevens over hun klanten en transacties te delen met de Belastingdienst. O...
15/04/2026

Vanaf 1 januari 2026 dienen cryptoplatformen gegevens over hun klanten en transacties te delen met de Belastingdienst. Op 31 maart 2026 is namelijk, met terugwerkende kracht, de Europese Richtlijn voor gegevensuitwisseling van crypto (DAC8) in Nederland geïmplementeerd. De verwachting is dat de Belastingdienst hiermee de cryptovaluta van de Nederlanders nadrukkelijker in beeld krijgt.

Er komt overigens meer nieuwe wetgeving op de cryptobezitters af, want de Tweede Kamer heeft recentelijk ingestemd met de Wet werkelijk rendement box 3, die vanaf 2028 een vermogensaanwasbelasting introduceert, ook voor het bezit van cryptovaluta.

Voor de cryptobezitter ontstaat daarmee fiscaal potentieel een ingewikkelde tijd (een tijd die toch al niet zo rooskleurig was door de verliezen van Bitcoin en alle altcoins in de afgelopen maanden), waarbij moeilijke vragen kunnen opkomen. Wat moet je nu precies doen? Wat als je cryptovaluta tot op heden niet in je aangifte zijn opgegeven? En moet je überhaupt wel in box 3 willen blijven zitten?

Het in cryptoland bekende fenomeen “HODL” (vasthouden ofwel stilzitten) is fiscaal bezien misschien niet de beste strategie.

Lage aangiftebereidheid crypto?
Volgens marktonderzoek bezitten op dit moment bijna twee miljoen Nederlanders cryptovaluta. Harde cijfers ontbreken maar als wij ons baseren op een onderzoek van het Zweedse Divly, wordt geschat dat slechts 4% van alle Nederlandse cryptobezitters hun bezit zou opgeven bij de Belastingdienst.

Of dit percentage juist is, laat zich moeilijk controleren, maar doet in ieder geval vermoeden dat een flink deel van de cryptobeleggers het bezit (bewust of onbewust) niet in de aangifte inkomstenbelasting opgeeft. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een deel van de cryptobelegger sowieso geen belasting verschuldigd is, aangezien zij onder het heffingsvrij vermogen van box 3 blijven.

Een deel van de cryptobezitters weet kennelijk niet dat hun crypto dienen te worden opgegeven dan wel zij nemen deze bewust niet op in de aangifte. Als de crypto bewust niet wordt opgegeven, is dit vermoedelijk vanuit de gedachte dat de Belastingdienst nauwelijks tot geen zicht heeft op hun cryptoportefeuille. Met DAC8 komt aan die situatie mogelijk een einde.

DAC8
Het doel van DAC8 is om belastingontduiking en belastingontwijking via cryptovaluta beter te kunnen tegengaan.
De werking van DAC8 is simpel: crypto-aanbieders (waaronder exchanges zoals Kraken en Bitvavo) worden verplicht om transactiegegevens van hun klanten te rapporteren aan de Belastingdienst. Het gaat om identificerende gegevens zoals naam, adres, fiscale woonplaats, fiscaal identificatienummer en om alle transacties en overdrachten die via het platform verlopen. Aanbieders moeten van iedere klant een ‘eigen verklaring’ met persoonsgegevens verkrijgen en verifiëren. Werkt een klant daar niet aan mee na twee aanmaningen? Dan mag de aanbieder geen transacties meer voor die klant uitvoeren.

De rapportagegegevens over het kalenderjaar 2026 moeten uiterlijk op 31 januari 2027 worden aangeleverd. Vervolgens wisselt de Belastingdienst deze gegevens automatisch uit met andere EU-lidstaten en met landen die zijn aangesloten bij het OESO Crypto-Asset Reporting Framework (waaronder de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk)

Persoonlijke wallets en decentrale exchanges
De rapportageplicht van DAC8 ziet (vooralsnog) niet op decentrale wallets (bijvoorbeeld Metamask) of transacties via decentrale exchanges (zoals bijvoorbeeld Uniswap). Echter, transacties naar of vanaf gecentraliseerde exchanges of het gebruik van fiat-on/off-ramps (cash omzetten naar crypto en vice versa) worden wel geregistreerd en doorgegeven.

Niet vooraf ingevuld, wél in het vizier?
Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de Belastingdienst de ontvangen cryptogegevens niet kan verwerken in de vooraf ingevulde aangifte. De DAC8-gegevens zijn transactiegegevens, geen saldostanden op een peildatum. Dat betekent dat belastingplichtigen hun cryptobezit zélf correct moeten bijhouden en opgeven (de doorgewinterde cryptobezitter zal weten dat dit bepaald geen sinecure is).

De Belastingdienst kan de gerapporteerde transactiegegevens wél gebruiken voor risicoanalyses achteraf. Wie crypto bezit via een centrale aanbieder en dit niet zou opgeven, loopt het risico dat de Belastingdienst via een kruiscontrole met de DAC8 informatie alsnog op het cryptovermogen stuit. Een inspecteur kan de aangeleverde transactiegegevens naast de ingediende aangifte leggen. Geen cryptobezit opgegeven, maar wel vele transacties via Bitvavo of Kraken? Dan volgen er mogelijk vragen en/of een nadere controle.

Inkeren, navordering en vergrijpboetes
Voor belastingplichtigen die in het verleden hun cryptobezit niet of niet volledig hebben opgegeven, kan de invoering van DAC8 mogelijk vervelende gevolgen hebben.

Krijgt de Belastingdienst het cryptobezit in het vizier, dan kan de Belastingdienst in beginsel navorderingsaanslagen opleggen tot 5 jaar terug. Wij begrijpen dat de Belastingdienst zich in de praktijk al snel op het standpunt stelt dat de niet aangegeven crypto ‘buitenlands vermogen’ is. De navorderingstermijn wordt dan opgehoogd naar maar liefst 12 jaar. Aanvullend kunnen vergrijpboetes worden opgelegd tot 300% van de te weinig geheven belasting.

Om vrijwillig in te keren zonder boete, moet binnen 2 jaar na het doen van de onvolledige aangifte alsnog een juiste aangifte worden gedaan. Het vrijwillig inkeren na 2 jaar leidt tot het een matiging van de vergrijpboete.

Er is overigens geen sprake van een vrijwillige inkeer als er een vermoeden bestaat dat de inspecteur al bekend is of zal worden met de onjuiste aangifte. De gegevensuitwisseling van DAC8 leidt er naar onze mening niet automatisch toe dat vrijwillig inkeren helemaal niet meer mogelijk is, maar kan in de praktijk mogelijk tot lastige bewijs- en timingvraagstukken leiden bij de beoordeling of nog sprake is van een echte vrijwillige inkeer.

Crypto en box 3: vermogensaanwasbelasting vanaf 2028
Alsof DAC8 niet genoeg is voor de cryptobezitter, komt daar vanaf 2028 de Wet werkelijk rendement box 3 overheen. De Tweede Kamer stemde in januari 2026 in met dit wetsvoorstel. Passief cryptobezit valt daarbij onder de vermogensaanwasbelasting van box 3: jaarlijks wordt belasting geheven over de waardestijging, ook als niet wordt verkocht.

Stel dat de koers van Bitcoin in 2028 verdubbelt: dan moet de belastingplichtige over de koerswinst 36% belasting betalen. € 100.000 koerswinst is dus € 36.000 aan belasting. Daalt de koers in 2029 en wordt een verlies gemaakt: dan kan dit verlies vooralsnog niet achterwaarts worden verrekend met de winst van 2028 (op dit moment wordt onderzocht of vanaf 2029 achterwaartse verliesverrekening kan worden ingevoerd).

Door de nieuwe regels kunnen liquiditeitsproblemen ontstaan. Wij denken daarbij bijvoorbeeld ook aan volatiele cryptovaluta die in korte tijd veel in waarde stijgen, maar in een korte periode daarna ook weer keihard dalen. Is de stijging voor de jaarwisseling en de daling daarna? Dan kan het geld (grotendeels) weg zijn, maar word je wel aangeslagen door de Belastingdienst. Naar onze mening een discutabel en oneerlijk gevolg van deze wetgeving.

Voor cryptobezitters met een omvangrijkere portefeuille kan het zinvol zijn te overwegen hun cryptovaluta in box 2 onder te brengen. In de BV is namelijk alleen belasting verschuldigd bij verkoop. Door het uitstellen van belastingheffing, kan de portefeuille beter renderen. Ook zijn verliezen in de BV wel achterwaarts verrekenbaar.

Men dient zich er wel bewust van te zijn dat een BV extra kosten met zich meebrengt (zoals oprichtings- en administratiekosten). Ook is het gecombineerde tarief van vennootschapsbelasting en box 2 (2026: vanaf circa 39% tot bijna 49%) hoger dan in box 3 (36%). Of het onderbrengen van cryptovaluta in box 2 daadwerkelijk voordeel oplevert, hangt daarmee sterk af van de omvang van de portefeuille, de beleggingshorizon en de persoonlijke fiscale situatie.

Voor de diehard cryptobezitter die wil HODL-en, lijkt het in ieder geval de moeite waard om de (on)mogelijkheden van de BV te onderzoeken.

Do Your Own Research (DYOR)
In de cryptowereld is ‘DYOR’ een bekende uitspraak. Koop niet zomaar cryptovaluta omdat iemand dat zegt, maar doe vooral je eigen onderzoek. DYOR staat dus voor het nemen van een weloverwogen besluit. Een uitstekend advies wat ons betreft, waar we aan willen toevoegen dat dit voor cryptobezitters inmiddels ook geldt voor de fiscaliteit.

[Bron: Nextens]

Hof Amsterdam: Uber-chauffeurs zijn geen werknemerHet hof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 een belangrijke uitspraak g...
04/02/2026

Hof Amsterdam: Uber-chauffeurs zijn geen werknemer

Het hof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de positie van Uber chauffeurs. In het hoger beroep tussen Uber, zes chauffeurs en vakbond FNV oordeelde het hof dat deze zes chauffeurs zelfstandig ondernemer zijn en dus niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Daarmee worden de vorderingen van FNV in deze procedure afgewezen.

Achtergrond: vragen aan de Hoge Raad
De uitspraak volgt op prejudiciële vragen die het hof eerder stelde aan de Hoge Raad. Die oordeelde begin 2025 dat extern ondernemerschap een volwaardig gezichtspunt is bij de kwalificatie van arbeidsrelaties en dat dit zelfs doorslaggevend kan zijn. Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat er geen vaste rangorde bestaat tussen de zogenoemde Deliveroo gezichtspunten: alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Deze verduidelijking vormde de basis voor het oordeel dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber meewerkten, niet als werknemers kunnen worden aangemerkt.

Waarom deze chauffeurs als ondernemers gelden
Het hof hecht in zijn beoordeling belang aan factoren die wijzen op ondernemerschap. Zo investeren chauffeurs in hun eigen voertuig, hebben zij vrijheid om hun werktijden te bepalen en hebben zij autonomie bij het accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten. Ook het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid wijst volgens het hof op ondernemerschap.
Geen oordeel voor alle Uber chauffeurs

Belangrijk is dat het hof níet heeft geoordeeld dat alle Uber chauffeurs per definitie ondernemer zijn. De beoordeling blijft casuïstisch: afhankelijk van de concrete werkwijze en omstandigheden kan voor sommige chauffeurs nog steeds sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor de zes chauffeurs in deze procedure kon echter niet worden vastgesteld dat zij werknemer waren, en evenmin kon een collectieve kwalificatie voor alle chauffeurs worden gegeven. Daarom zijn de vorderingen van FNV afgewezen.

Wat betekent dit voor werkgevers?

Deze uitspraak geeft meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties, maar beslecht de bredere discussie niet. De kern voor werkgevers blijft dat:
• de feitelijke uitvoering van het werk doorslaggevend is, niet de contractuele benaming;
• vrijheid bij het uitvoeren van het werk, inbedding van het werk en de werkende en het dragen van ondernemersrisico zwaar wegen bij de kwalificatie;
• individuele omstandigheden kunnen maken dat twee mensen die hetzelfde werk doen verschillend worden gekwalificeerd: de één als werknemer en de ander als zelfstandig ondernemer.
Voor organisaties die werken met zzp’ers onderstreept de uitspraak van het hof de noodzaak van een zorgvuldige, feitelijke analyse van de arbeidsrelatie.

Meer informatie
Hoewel deze uitspraak meer duidelijkheid biedt over de juridische beoordeling van arbeidsrelaties, blijft het afwachten hoe de Belastingdienst deze lijn zal betrekken bij de handhaving op schijnzelfstandigheid. De uitspraak verandert niets aan het uitgangspunt dat opdrachtgevers zelf verantwoordelijk blijven voor een juiste kwalificatie op basis van de praktijk. Het is voor de Belastingdienst lastiger geworden om conclusies te trekken voor groepen zzp’ers, omdat de omstandigheden per geval verschillen.
Voor organisaties die werken met zzp’ers onderstreept deze uitspraak opnieuw het belang van het kritisch beoordelen en vastleggen van de feitelijke werkwijze.

[Bron: BDO Nederland]

Zachte of harde landing in zzp-dossier? De aandachtspunten voor opdrachtgevers in 2026De handhaving op de juiste kwalifi...
04/02/2026

Zachte of harde landing in zzp-dossier? De aandachtspunten voor opdrachtgevers in 2026

De handhaving op de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties zou per 1 januari 2026 weer onderdeel uitmaken van de reguliere controles. Eind 2025 is echter besloten om de zogenoemde ‘zachte landing’ in 2026 gedeeltelijk te verlengen. Dit betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 werkt met een afzonderlijk handhavingsplan, zoals in de voorgaande jaren. De focus blijft liggen op situaties waarin het risico bestaat dat een arbeidsrelatie onterecht niet als dienstbetrekking is aangemerkt. Het kabinet zet hierbij in op drie lijnen: een gelijker speelveld tussen contractvormen, meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties en een betere handhaving op schijnzelfstandigheid.

Het handhavingsmoratorium is per 1 januari 2025 opgeheven. Daardoor kan de Belastingdienst weer correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen opleggen, maar niet over perioden vóór die datum. Over 2025 werden geen boetes opgelegd dankzij de zachte landing. In 2026 blijft de zachte landing deels van kracht:
• er worden geen verzuimboetes opgelegd;
• vergrijpboetes bij opzet of grove schuld zijn wél mogelijk.

Vanaf 2027 vervalt de zachte landing volledig en wordt de beoordeling van arbeidsrelaties weer integraal onderdeel van de reguliere handhaving.

Handhavingsplan en brief gepubliceerd
Het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 geeft duidelijkheid over het toezicht op arbeidsrelaties. Naast bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken blijft de Belastingdienst regulier toezicht houden op loonheffingenaangiften, met aandacht voor onder meer de werkkostenregeling, sectorindeling, het gebruikelijk loon en vooral de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties. Voor het thema arbeidsrelaties wordt in 2026, net als in voorgaande jaren, 80 fte ingezet.

Controles blijven toenemen
Sinds de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 is een duidelijke intensivering zichtbaar van controles op schijnzelfstandigheid, vooral in sectoren waar veel zzp’ers actief zijn zoals de bouw, kinderopvang en zorg. Daarnaast vinden ook controles plaats bij intermediairs. De verwachting is dat deze trend in 2026 verder doorzet.

Op dit moment voert de Belastingdienst bij tientallen bouwbedrijven controles uit op schijnzelfstandigheid. In 2025 moesten ten minste tien bouwbedrijven direct maatregelen nemen om naheffingen te voorkomen. Vanaf 2026 kunnen bij grove schuld of opzet vergrijpboetes worden opgelegd. Naheffingen en boetes kunnen aanzienlijk zijn en in sommige gevallen zelfs tot financiële problemen leiden. Hoewel de bouwsector vaak als voorbeeld wordt genoemd, speelt deze ontwikkeling breder: ook in andere sectoren waar veel met zzp’ers wordt gewerkt, neemt het toezicht merkbaar toe. Dit onderstreept het belang van een zorgvuldige beoordeling van arbeidsrelaties en voortdurende alertheid bij opdrachtgevers.

[Bron: BDO Nederland]

Btw-misbruik kan in beeld komen wanneer een bv een auto verkoopt aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) voor een ab...
21/01/2026

Btw-misbruik kan in beeld komen wanneer een bv een auto verkoopt aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) voor een abnormaal lage prijs. In de praktijk wordt het verschil met de marktwaarde dan vaak fiscaal verwerkt als verkapt dividend, maar voor de btw rijst de vraag welke maatstaf van heffing geldt: de lage verkoopprijs of de marktwaarde. In deze conclusie bespreekt de advocaat-generaal (A-G) of zo’n transactie, juist door de combinatie van gelieerdheid en een (mogelijk) ontbrekend volledig aftrekrecht bij de dga, kan leiden tot misbruik van btw-recht. Als dat zo is, kan de Belastingdienst de maatstaf van heffing corrigeren naar de marktwaarde.

Cassatiemiddelen gegrond
In een recente zaak stelde de Staatssecretaris voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De A-G acht de cassatiemiddelen van de Staatssecretaris gegrond en die van de belanghebbende ongegrond. De verkoop van een auto door een bv aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) tegen een abnormaal lage prijs kan misbruik van btw-recht opleveren. In dat geval is correctie van de maatstaf van heffing naar de marktwaarde toegestaan.

Casus, geschil en procesverloop
In vier samenhangende zaken koopt een vennootschap (of haar fiscale eenheid voor de omzetbelasting) een auto, met aftrek van voorbelasting. Na verloop van tijd verkoopt zij de auto aan haar dga. Daarbij hanteert zij een prijs die aanzienlijk onder de waarde in het economisch verkeer ligt. Het verschil wordt fiscaal verwerkt als verkapt dividend.

Vervolgens ontstaat een geschil over de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting. Moet worden uitgegaan van de lage verkoopprijs, of van de (hogere) marktwaarde?

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt dat sprake is van misbruik van recht. Daarom corrigeert het hof de maatstaf van heffing. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verwerpt daarentegen het beroep op misbruik. Het laat de lage prijs in stand. Tegen beide uitspraken is cassatie ingesteld.

Cassatie en middelen
In de Amsterdamse zaak gaat de belanghebbende in cassatie. Zij bestrijdt het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. De Staatssecretaris stelt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. Daarbij voert hij aan dat het verkapt dividend als vergoeding moet gelden.

In de Bossche zaken gaat de Staatssecretaris in cassatie met drie middelen:
er is geen prestatie onder bezwarende titel;
het verkapt dividend behoort tot de vergoeding;
er is sprake van misbruik van recht.

Beoordeling door de A-G
Middel 1 (prestatie onder bezwarende titel)
De A-G acht het oordeel van het hof ’s-Hertogenbosch onjuist, voor zover het misbruik van recht uitsluit omdat geen samenstel van handelingen aanwezig zou zijn. Voor misbruik is meervoudigheid namelijk niet vereist. Ook één handeling kan misbruik opleveren. Dat volgt uit de algemene beginselen van Unierecht.

Middel 2 (verkapt dividend als vergoeding)
Dit middel acht de A-G ongegrond. Het verkapt dividend vormt, buiten misbruik van recht, geen tegenprestatie voor de levering. Een correctie zou bovendien leiden tot btw-heffing over bedragen die de vennootschap niet heeft ontvangen. Dat is in strijd met het uitgangspunt dat btw wordt geheven over de subjectieve vergoeding (art. 73 Btw-richtlijn).

Middel 3 (misbruik van recht)

Dit middel acht de A-G wel gegrond. Het hanteren van een abnormaal lage vergoeding kan misbruik van recht opleveren. Dat geldt met name bij gelieerde partijen én wanneer de afnemer geen (volledig) aftrekrecht heeft. Dat Nederland geen algemene ‘normale-waarde-bepaling’ uit art. 80 Btw-richtlijn heeft ingevoerd, blokkeert de toepassing van het misbruikleerstuk niet. De A-G sluit hierbij aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder andere Weald Leasing).

Als misbruik is vastgesteld, is herstel toegestaan. Dat gebeurt door correctie van de maatstaf van heffing naar de marktwaarde. Daarbij geldt wel dat de correctie niet verder mag gaan dan nodig is.
Conclusie van de A-G

De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van de belanghebbende. Daarnaast concludeert hij tot gegrondverklaring van de cassatiemiddelen van de Staatssecretaris, voor zover die misbruik van recht betreffen. Het middel over het verkapt dividend als vergoeding faalt.

[Bron: Nextens.nl]
[Bron: Parket bij de Hoge Raad, 19 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1413}

Verbod op contante betalingen vanaf €3.000 per 1 januari 2026Per 1 januari 2026 geldt voor alle natuurlijke personen, re...
17/12/2025

Verbod op contante betalingen vanaf €3.000 per 1 januari 2026

Per 1 januari 2026 geldt voor alle natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van goederen en van kunstvoorwerpen een verbod op contante betalingen van € 3.000 of meer.

Het verbod geldt voor alle beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen (nieuw en tweedehands) zoals: - autohandelaren; - juweliers; - elektronicawinkels; - meubelzaken; - winkeliers. Daarnaast geldt het verbod voor kunsthandelaren en exploitanten van pandhuizen (wanneer wordt opgetreden als koper of verkoper van goederen). Het verbod geldt niet voor particulieren onderling of voor diensten. Door Europese wetgeving (AMLR) volgt per juli 2027 ook een verbod op contante betalingen bij diensten.

Het doel van het verbod op contante betalingen van € 3.000 of meer is om witwassen van illegaal geld en terrorismefinanciering tegen te gaan. Dit door het moeilijker te maken voor criminelen om grote bedragen in contanten te verbergen en te gebruiken voor aankopen van goederen zoals kunst, auto's en goud. Het verhoogt de transparantie, helpt ondernemers onbedoelde betrokkenheid te voorkomen en verkleint de administratieve lasten. Zo vervallen er voor handelaren van goederen de reguliere Wwft-verplichtingen zoals het uitvoeren van cliëntenonderzoek, de meldingsplicht, het risicomanagement, de opleidingsplicht en de bewaarplicht.

Het verbod mag niet worden omzeild door betalingen op te knippen of aankopen te verspreiden over meerdere personen, om zo onder de grens van € 3.000 te blijven. Daarom vallen handelingen waartussen een verband lijkt te bestaan ook onder het verbod. Onder de Wwft worden dit samengestelde transacties genoemd. Als sprake is van een samengestelde transactie, moeten de (contant) betaalde bedragen bij elkaar worden opgeteld. Een samengestelde transactie is geen vastomlijnd begrip; het betreft een open norm. Het hangt van de feiten en omstandigheden af of afzonderlijke transacties als samengesteld moeten worden aangemerkt. Als het verband tussen twee transacties dermate groot is dat vermoed moet worden dat het gaat om een samengestelde transactie, dient de beroeps- of bedrijfsmatige handelaar onderzoek te doen om vast te stellen of de transacties als samengestelde transacties moeten worden beschouwd.

Bovenstaande betekent dat: contante betalingen tot en met € 2.999,99 blijven toegestaan; betalingen van € 3.000 mogen tot € 2.999,99 contant en het resterende bedrag via de bank of uiteraard geheel via de bank; het verbod geldt alleen voor beroeps-of bedrijfsmatig handelaren in goederen die leveren aan rechtspersonen en particulieren; handelaren die in het buitenland aankopen doen en contant willen afrekenen ook dit alleen mogelijk is tot een bedrag van € 2.999,99 (denk aan een Nederlandse autohandelaar die over de grens in Duitsland auto’s inkoopt en contant betaalt); overtreding van deze wettelijke bepaling een economisch delict is.

[Bron: Leidraad verbod op contante betalingen van € 3.000 of meer van de Belastingdienst, publicatie FIU-Nederland 'Verbod op contante betalingen van € 3.000 en meer: wat verandert er, Rijksoverheid: Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000]

Op 27 november jl. heeft de Tweede Kamer ingestemd met een aantal amendementen op het Belastingplan 2026. Hieronder de b...
11/12/2025

Op 27 november jl. heeft de Tweede Kamer ingestemd met een aantal amendementen op het Belastingplan 2026. Hieronder de belangrijkste wijzigingen:

Verhoging forfaitair rendementspercentage box 3 teruggedraaid
De eerder aangekondigde verhoging van het forfaitaire rendementspercentage naar 7,78% in 2026 gaat niet door. Ook de geplande verlaging van het heffingsvrije vermogen wordt geschrapt.

Versnelde afbouw Wet Hillen voor woningeigenaren
De afbouw van de Wet Hillen wordt versneld, waardoor deze in 2041 vervalt in plaats van in 2048. Dit betekent dat woningeigenaren met geen of een geringe eigenwoningschuld te maken krijgen met een jaarlijkse afbouw van 4,8%. In 2026 bedraagt de aftrek nog 71,82%.

Verhoging bijtelling elektrische auto’s gaat niet door
De eerder aangekondigde verhoging van de bijtelling voor elektrische auto’s naar 22% wordt bijgesteld:

2026: 18% bijtelling over de eerste €30.000
2027: 20% bijtelling over de eerste €30.000
Vanaf 2028: 22% bijtelling over de gehele cataloguswaarde

Afbouw accijnskorting op brandstof
Brandstofprijzen stijgen door het afbouwen van de accijnskorting op benzine, diesel en LPG.

Versobering youngtimer-regeling
De youngtimer-regeling wordt aanzienlijk aangescherpt door nieuwe minimumleeftijden. Vanaf 2027 geldt een minimumleeftijd van 25 jaar. In 2026 gaat de minimumleeftijd naar 16 jaar.

Aanpassingen in EIA en MIA
De Energie-investeringsaftrek (EIA) en Milieu-investeringsaftrek (MIA) kunnen vanaf 2029 niet meer leiden tot een verlies uit onderneming. Het bedrag van de aftrek wordt beperkt tot maximaal de daadwerkelijke winst. Niet-benutte aftrek kan worden doorgeschoven en binnen negen daaropvolgende kalenderjaren alsnog worden benut.

[Bron: nextens.nl]

Zzp ja of nee, weet u het nog?Het zzp-dossier is sterk in beweging, de inzichten over zzp’ers veranderen met de dag. Onl...
04/09/2024

Zzp ja of nee, weet u het nog?

Het zzp-dossier is sterk in beweging, de inzichten over zzp’ers veranderen met de dag. Onlangs kwam in het nieuws dat onder ondernemers grote onduidelijkheid bestaat over de naderende handhaving op de zzp-wet. Volgens ondernemers is door de steeds veranderende inzichten in het zzp-dossier een situatie ontstaan die niet te begrijpen is. Ziet u door de bomen het bos nog? Wij nemen u graag mee in alle ontwikkelingen.

Handhaving door de Belastingdienst

Vanaf 1 januari 2025 zal de Belastingdienst actief handhaven op schijnzelfstandigheid, nadat er in 2024 al inventariserende acties zijn uitgevoerd. Voor deze handhaving zal onder andere 80 fte worden ingezet voor bedrijfsgesprekken, boekenonderzoeken, de beoordeling van modelovereenkomsten en vooroverleg.
Wetsvoorstel VBAR

In oktober 2023 is het wetsvoorstel VBAR (Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden) ter internetconsultatie aangeboden. In dit wetsvoorstel is getracht de invulling van het begrip arbeidsovereenkomst in de jurisprudentie in een wettelijke regeling op te nemen. Ook is een weerlegbaar civielrechtelijk rechtsvermoeden geïntroduceerd waarbij een zzp’er die minder dan € 32,24 per uur in rekening brengt bij de opdrachtgever de stelling kan innemen een arbeidsovereenkomst te hebben.

De internetconsultatie heeft veel reacties teweeg gebracht. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eind juni 2024 een aangepast wetsvoorstel ter beoordeling naar de Raad van State gestuurd. In het oorspronkelijke wetsvoorstel waren de elementen ‘werkinhoudelijke aansturing’ en ‘organisatorische inbedding’ nog van elkaar gescheiden. In het aangepaste wetsvoorstel zijn die elementen samengevoegd. Verder wordt niet langer meegewogen of de werkzaamheden die de zzp’er verricht tot de kernactiviteit van de organisatie behoren. Ook is het bedrag van het rechtsvermoeden verhoogd naar € 33 per uur.

Wat zegt de rechter?

Ondertussen neemt ook de hoeveelheid jurisprudentie over de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toe. Zo wees de Hoge Raad in maart 2023 een arrest in de Deliveroo-zaak. Daarin concludeerde de Hoge Raad op basis van een aantal gezichtspunten dat de bezorgers hun werkzaamheden verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst, met alle civielrechtelijke gevolgen van dien. Zo werd Deliveroo onder meer verantwoordelijk gehouden voor de pensioenafdrachten van de bezorgers en was de cao voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing. In navolgende jurisprudentie zien we dat voorgelegde situaties langs het toetsingskader van het Deliveroo-arrest worden gelegd. De uitkomst van deze jurisprudentie is erg divers.

Opmerkelijk is de uitspraak in de zaak van een intensivist die als zelfstandige werd ingehuurd door een ziekenhuis, maar feitelijk geen diensten meer kreeg aangeboden. Deze intensivist stapte naar de rechter omdat zij vond dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De rechter stelde de intensivist op basis van het Deliveroo-toetsingskader in het gelijk. Verder stelde de intensivist dat de vergoeding die zij als zzp’er aan het ziekenhuis in rekening bracht, het civielrechtelijk overeengekomen loon is. Het loon werd door de rechtbank op bijna € 21.000 bruto per maand vastgesteld, waar het loon op basis van de cao slechts € 4.000 bruto per maand bedraagt. De gemiste inkomsten moet het ziekenhuis nabetalen, hetgeen voor het ziekenhuis een forse kostenpost is. Deze uitspraak laat duidelijk zien dat naast een fiscale discussie met de Belastingdienst rondom de kwalificatie van de arbeidsrelatie een opdrachtgever ook rekening moet houden met de arbeidsjuridische consequenties indien sprake is van werknemerschap.

Ontwikkelingen in de markt

Ondertussen zit ook de markt niet stil. Zo hebben de brancheorganisaties in de Zorg een ‘Fiscaal Kompas’ gepubliceerd en nemen zorginstellingen het initiatief om te komen tot regionale samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn de medische koepels KNMT, LHM, FMS en VvAA met de Belastingdienst in gesprek gegaan met als doel om te onderzoeken hoe zelfstandigen flexibel kunnen blijven werken bij calamiteiten, piekbelasting en bijzondere situaties. Ook in de kinderopvang is nadrukkelijk aandacht voor de discussie rondom het werken met zzp’ers en worden alternatieven bekeken zoals uitzendconstructies. Bouwend Nederland heeft vanaf oktober 2023 de modelovereenkomst voor de inzet van onderaannemers zonder personeel in de Bouw & Infra vernieuwd in samenspraak met de Belastingdienst. In het primaire onderwijs gaat het ‘onderwijsmanifest Lef!’ rond waarin wordt opgeroepen om kostprijsverhogende bemiddelingsbureaus en zzp-constructies niet langer te benutten.

De bestuurlijke omgeving

Aan bestuurlijke zijde zien we op dit moment ook de nodige beweging. Zo blijven de Kamervragen gestaag komen. De laatste ‘ronde’ aan Kamervragen dateert van 20 juni 2024 waarin nogmaals duidelijk wordt gemaakt dat er ondanks het feit dat er nog geen nieuwe wetgeving is, de handhaving aan de zijde van de Belastingdienst toch per 1 januari 2025 gaat starten. Daarnaast is op basis van een WOO-verzoek duidelijk(er) geworden hoe de Belastingdienst haar handhaving vormgeeft waarbij de ‘webmodule’ ook een rol krijgt! Let op, al deze bewegingen kaderen in het grotere thema ‘hervorming van de arbeidsmarkt’ waarin ook andere aspecten een rol spelen, zoals een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, de afbouw van de zelfstandigenaftrek in de inkomstenbelasting, de aanpassing van de ketenregeling in het arbeidsrecht en de introductie van een basiscontract in plaats van oproepcontracten en nulurencontracten.

Hoe nu door de bomen het bos nog zien?

Duidelijk is dat er niet één oplossing is voor de zzp-problematiek. Organisaties doen er goed aan om zich voor te bereiden en zicht te krijgen op hun zzp-populatie. In dat kader adviseren wij u als organisatie om aan de slag te gaan met uw procesinrichting, waaronder:
• Informatie inwinnen over collectieve initiatieven binnen uw branche;
• Een visie en strategie ontwikkelen ten aanzien van de interne inzet van een ‘flexibele schil’ waarin onder andere de volgende punten terugkomen:
o Wanneer, waarom en op basis van welke uitgangspunten wordt gewerkt met zzp’ers en uitzendkrachten binnen uw organisatie?
o Hoe gaat u om met het beeld dat zzp’ers geen werknemers willen zijn vanwege een verlies aan inkomsten of de onmogelijkheid om flexibel te werken? Wat doet u als organisatie doen om dit beeld en eventuele bezwaren weg te nemen?
• Leg uw visie en strategie ten aanzien van het werken met een ‘flexibele schil’ vast in uw procesinrichting en uw HR-beleid.

[Bron: BDO Nederland]

Adres

Leeghwaterstraat 25
Reeuwijk
2811DT

Openingstijden

Maandag 08:30 - 17:00
Dinsdag 08:30 - 17:00
Woensdag 08:30 - 17:00
Donderdag 08:30 - 17:00
Vrijdag 08:30 - 17:30

Telefoon

+31182235031

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Anthonisse Finance nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact Opnemen Met Het Bedrijf

Stuur een bericht naar Anthonisse Finance:

Snelkoppelingen

Delen

Categorie